Home / Sallandcentraal / ‘Begrijp nu beter waarom mijn opa er nooit over sprak’
.

‘Begrijp nu beter waarom mijn opa er nooit over sprak’

Olster historicus Ewout van der Horst schreef serie interviews met Overijsselse Indiëgangers

OLST – Eigenlijk begrijpt hij nu pas waarom zijn opa, begin deze eeuw overleden, nooit wat heeft verteld over zijn ervaringen als militair in het toenmalige Nederlands-Indië na de Tweede Wereldoorlog. “Ergens nam ik hem dat altijd wat kwalijk, ik zag het eigenlijk een beetje als een zwakte. Door mijn interviews met een aantal nog levende Indiëgangers uit Overijssel snap ik nu dat die ervaringen gewoon te pijnlijk waren. Voor hem was het nodig dat hij dat hoofdstuk uit zijn leven ver weg stopte. En door die interviews heb ik nu toch het gevoel dat ik ook zijn verhaal ken”, zo zegt de Olster historicus Ewout van der Horst.

Recent werden bij het HCO (Historisch Centrum Overijssel) in aanwezigheid van die veteranen de interviews online gepresenteerd met als titel ‘Overijsselaars in de Oost. Verhalen van Indiëgangers.’

Twee dikke boeken met foto’s uit de Indische tijd van zijn opa tussen 1946 en 1948 hebben Van der Horst, historicus bij de IJsselacademie, altijd ontzettend geboeid. “Hij wilde wel vertellen over zijn ervaringen bij de BS (Binnenlandse Strijdkrachten, red) tijdens de bevrijding van Nederland in 1945, maar niet over de jaren in Nederlands-Indië. ‘Kijk maar in die fotoboeken, dan zie je hoe we kameraden begraven moesten’, meer kon hij niet opbrengen. Toen het NIOD (Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies, red) met het grote onderzoek begon naar de gebeurtenissen tussen 1945 en 1950 was dat voor mij een goede aanleiding om de nog levende veteranen in Overijssel te gaan interviewen. Plus enkele strijdmakkers uit de tijd van mijn opa bij de BS in het Zuid-Hollandse Berkel.”

In alle interviews kwamen een aantal vaste punten voorbij. “In de eerste plaats dat het onvoorstelbaar heftig was. Het waren jonge mannen in de bloei van hun leven die door de oorlogsjaren al een deel van hun jeugd waren kwijtgeraakt. Moesten ze ineens anderhalf tot wel drie jaar verplicht aan de andere kant van de wereld een smerige oorlog uitvechten. Sommigen hebben er trauma’s van opgelopen. Als je brandende maten na de explosie van een bermbom uit een brencarrier ziet kruipen, dan is dat zwaar.”

Grootkapitaal

Bij terugkeer in Nederland werden de Indiëgangers nogal koel ontvangen. De strijd was nu eenmaal verloren. “Toch merkte ik dat de veteranen zelf meer wrok voelen richting de politiek die het daar zo enorm uit de hand heeft laten lopen. Sommigen vinden het ook moeilijk dat zij voor een appel en ei jarenlang risico’s liepen, terwijl uitgezonden militairen nu dubbel salaris en bonussen krijgen. ‘Wij moesten zelfs onze eigen reünies betalen’, zo hoorde ik geregeld.”
Wat ook in de interviews terugkomt, is het begrip voor de tegenstanders van toen, de Indonesische opstandelingen (later bekend onder de naam TNI oftewel Tentara Nasional Indonesia) en het gevoel dat zij destijds door de blanke bewoners van de Nederlandse kolonie slecht werden behandeld. “Dan kwamen ze op een plantage en keek zo’n Nederlands-Indische planter hen als gewone soldaten met de nek aan. ‘We moesten eigenlijk vechten voor het grootkapitaal, voor de economische belangen van Nederland’, zo voelen ze dat. Terwijl ze daar heen gingen met het idee dat ze dat voor volk en vaderland moesten doen.”

Gruwelijkheden

Al enkele tientallen jaren woedt in Nederland een soms heftige discussie over oorlogsmisdaden die Nederlandse militairen in die jaren hebben gepleegd. “Daarom ben ik als historicus zo blij met het grote onderzoek dat het NIOD nu doet, samen met Indonesië. De meerderheid van de jongens heeft zich aan het oorlogsrecht gehouden. Alleen, het was een smerige guerrillastrijd met alle gruwelijkheden van dien. In veel interviews hoor je verhalen over maten die letterlijk aan mootjes zijn gehakt of op andere manieren afgeslacht werden door de opstandelingen. Die opstandelingen waren slecht bewapend. Ze hadden geen kanonnen, schepen of vliegtuigen, moesten het soms met speren doen. Dat de Nederlanders vervolgens een kampong platschoten of bombardeerden hoort in die context bij de verschrikkelijke escalatie van geweld. Geweld, actie en reactie, dat heeft een eigen dynamiek. Daarom is het zo belangrijk dat nu heel breed onderzocht wordt hoe dit zo heeft kunnen gaan. Wat mij betreft geldt dat niet alleen voor die jaren na de oorlog, maar voor onze hele koloniale geschiedenis. Die geschiedenis is nog steeds overal zichtbaar, kijk naar diverse grote landhuizen hier in Salland die zijn gebouwd met geld uit Nederlands-Indië.”

Van der Horst is inmiddels druk bezig met onderzoek naar 75 jaar bevrijding van Overijssel volgend jaar. Meer info op www.ijsselacademie.nl.

Een van de interviews is met Anton Voorhorst, geboren en getogen op een boerderij in Heeten en nu woonachtig in Raalte. Van 1949 tot 1950 zat hij als dienstplichtig militair in Indië bij het 426e Bataljon Infanterie. Onderstaand een klein deel van het interview met hem.

“Vandaar zijn we naar Gamping aan de andere kant van Djokja gegaan. Daar hadden wij de eerste gesneuvelde, sergeant Mollema. Dat heb ik ook meegemaakt. Ik zat op wacht. De TNI kwam onze post beschieten. Ik heb toen teruggeschoten. Even later kwamen ze in gevecht met onze patrouille in de omgeving van de post. Dat was het ergste wat ik heb meegemaakt. Ik hoorde wel dat het er heftig aan toe ging. Een jongen had later de schouder helemaal blauw van het schieten. Vier, vijf jongens kwamen terug die helemaal van de kaart waren. Tropenkolder zeiden ze dan. Ze waren helemaal overspannen van de gevechten. Je kon ze niet meer inzetten. Ze zijn tijdelijk afgevoerd. Ze hebben nog een mortiergroep laten komen om die kampongs waar het verzet vandaan kwam helemaal plat te branden.

“Ik heb geen weet van slachtoffers die ik heb gemaakt. Maar die tijd was wel heel angstig. Met meerdere patrouilles hebben we beschietingen gehad. Soms ging je met lood in de schoenen weer op patrouille. Persoonlijk heb ik geen misdragingen meegemaakt, maar het zal heus wel hier en daar gebeurd wezen. Ik kan mij het wel goed voorstellen. Als er jongens sneuvelen of je vindt ze verminkt weer terug, dan krijg je toch een haat. Niet dat het goed te praten is, maar het is wel heel anders dan dat je hier in het burgerleven zit.”

Blij

“Bij thuiskomst werd er feest gevierd. Ze waren blij dat je er weer heelhuids was. Er kwam een muziekkorps thuis en van de buurt kreeg ik een fiets. Dat was een prettige ervaring. Ik kwam gewoon weer op de boerderij. Ik had geen probleem de draad weer op te pakken. Wel schrok ik in het begin als er bijvoorbeeld een deur hard dichtklapte. Erg lang heeft dat niet geduurd. Met mijn vrouw en kinderen heb ik wel over Indië gesproken, maar niet zo indringend. Pas op latere leeftijd kwam bij mij de belangstelling terug, maar na al die jaren moet je wel diep graven in je geheugen. Het is een ervaring die ik niet graag had willen missen: niet zozeer de patrouilles, maar wel het land, de bevolking, de natuur… Er zijn natuurlijk jongens die veel meer meegemaakt hebben dan ik, die veel meer in angst hebben gezeten.”

Lees ook

Keukenbrandje loopt gelukkig goed af

RAALTE – Aan de Lijsterbesstraat heeft zondagmiddag in een flatwoning kort een keukenbrandje gewoed. De …

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.